Je hebt een plan, een doel, en je bent enthousiast gestart. Maar ergens sluimert de vraag: werkt het eigenlijk wel? Bereiken we wat we willen bereiken? Effectmeting geeft je daar het antwoord op. Niet als controle-instrument, maar als krachtige motor voor groei, verbetering en geloofwaardigheid.

1. Het houdt je scherp tijdens de rit

Effectmeting is geen eindstation, maar een kompas onderweg. Door tijdens je project te meten wat er gebeurt, zie je of je nog op koers ligt. Je voorkomt dat je te lang blijft investeren in een aanpak die maar half werkt. Of dat je pas na afloop merkt dat je je doel net niet haalde. Meten = bijsturen. En dat maakt je project wendbaar en veerkrachtig.

2. Het maakt zichtbaar wat anders onzichtbaar blijft

Effectmeting maakt zichtbaar wat anders onzichtbaar blijft. Het helpt je om veranderingen in gedrag, betrokkenheid of samenwerking niet alleen te signaleren, maar ook overtuigend te onderbouwen. Dat is niet alleen van waarde voor jezelf, maar ook richting financiers en samenwerkingspartners: je laat zien wat jouw project concreet oplevert en je legt verantwoording af over de ingezette middelen.

3. Het geeft richting aan keuzes

Effectmeting laat zien wat werkt en waarom. Die inzichten helpen je om onderbouwde keuzes te maken: welke werkwijze zet je voort? Wat heeft minder effect dan gedacht? Waar ligt ruimte voor verbetering? Het voorkomt dat je telkens opnieuw het wiel uitvindt en maakt je effectiever bij een volgend project.

4. Werken aan een lerende organisatie

Effectmeting is een waardevol onderdeel van organisatieontwikkeling. Door bewust te meten leer je niet alleen wat goed werkt, maar ook wat beter kan. Die kennis versterkt je huidige aanpak én vormt een fundament voor toekomstige projecten. Het helpt je om scherper te zien waar je al effect bereikt, maar ook waar nog ruimte ligt. Zo maak je strategische keuzes over wat je voortzet, aanpast of opnieuw vormgeeft. Op die manier bouw je stap voor stap aan een lerende organisatie die wendbaar is en gericht blijft op duurzame impact.

Kortom: effectmeting is geen verplicht nummer, maar een kans. Een kans om te groeien, te leren en te laten zien waar je voor staat. Niet pas achteraf, maar juist onderweg. Want weten wat werkt, maakt alles wat je doet krachtiger.

Je bent enthousiast gestart met een project, programma of activiteit. Alles loopt, de eerste reacties zijn positief, en je denkt: wat levert dit eigenlijk op? Maar dan komt het besef: er is geen nulmeting gedaan. Kun je dan nog wel iets zeggen over de effecten?
Ja, dat kan. En toch is het slim om bij een volgend project wél vooraf te meten. In deze blog neem ik je mee in de wereld van effectmetingen. Wat is het precies? Hoe pak je het aan als je geen nulmeting hebt? En waarom is zo’n nulmeting dan eigenlijk zo waardevol?

Wat is een effectmeting eigenlijk?

Een effectmeting laat zien wat het directe resultaat is van jouw project of programma. Denk aan veranderingen in kennis, houding, gedrag of samenwerking. Effecten zie je op korte termijn: wat is er anders nádat mensen hebben meegedaan?

Effectmeting is iets anders dan impactmeting. Impact gaat over de langere termijn en raakt aan het grotere doel: wat verandert er op het niveau van onze missie? Effect gaat dus over de directe gevolgen van jouw activiteit zelf. En die kun je ook meten zonder nulmeting.

Geen nulmeting gedaan? Geen paniek.

Een nulmeting maakt vergelijken makkelijk: je weet waar je begon, dus je ziet beter wat er veranderd is. Maar ook zonder beginmeting kun je achteraf veel leren. Hoe dan?

  1. Doe een documentstudie Bekijk jaarverslagen, notulen, oude rapportages of eerdere evaluaties. Wat was er bekend voordat jullie project startte? Soms vind je al veel terug over het beginpunt.

  2. Vraag het je doelgroep Interview deelnemers of laat ze een vragenlijst invullen. Vraag wat er voor hen veranderd is: Wat wisten of deden ze eerst? Wat anders nu? Mensen vinden het vaak lastig om effecten onder woorden te brengen, dus help ze op weg met voorbeelden. Vraag bijvoorbeeld:
    • Wat heb je geleerd?
    • Wat doe je nu anders?
    • Wat heeft deze activiteit voor jou betekend?
  1. Betrek anderen Spreek ook met collega’s of samenwerkingspartners. Wat zien zij veranderen bij de doelgroep? Wat valt hen op?

  2. Deel op in stukjes Maak het behapbaar. Vraag niet “Wat is er veranderd?” maar “Wat is er veranderd in gedrag, in kennis, in samenwerking?” Kleine stappen maken het grote plaatje duidelijker.

Hoe meer mensen je spreekt, hoe betrouwbaarder je beeld wordt. En met een goed uitgewerkte eenmeting kom je vaak een heel eind.

Toch liever wél een nulmeting? Slim plan.

Een nulmeting geeft je veel:

Bovendien dwingt een nulmeting je tot heldere doelen: wat wil je bereiken, voor wie, en hoe weet je of dat lukt? Dat maakt het evalueren achteraf makkelijker.

Meten is mogelijk, altijd

Of je nu aan het begin staat of al halverwege bent: het is nooit te laat om inzicht te krijgen in effecten. En onderzoek doen is eigenlijk best leuk. Je wordt er wijzer van, ontdekt nieuwe dingen en je ziet wat jouw werk teweegbrengt.

Dus: ben je al begonnen en mis je een nulmeting? Ga dan slim aan de slag met een eenmeting. En start je straks een nieuw project? Denk dan alvast na over een nulmeting. Zo weet je straks precies wat je hebt bereikt.

Ben je benieuwd hoe je met een slimme eenmeting toch waardevolle inzichten kunt verzamelen? Of wil je bij je volgende project wél starten met een nulmeting? Neem contact met me op – ik denk graag met je mee!

Onlangs interviewde een stagiaire mij over de voor- en nadelen van een onderzoeksbureau. Ze liep stage voor een organisatie die graag de effecten van hun projecten inzichtelijk wilde maken, maar waren zoekende naar de beste manier dit aan te pakken. Het nadeel van een onderzoeksbureau is dat het geld kost en deze middelen kunnen beter aan het project zelf besteed worden.

Maar is een onderzoeksbureau duur? Of is een onderzoeksbureau effectiever en efficiënter dan zelf een onderzoek doen?

 1. De juiste onderzoeksvraag en methodiek

Het formuleren van de juiste onderzoeksvraag en de daarbij behorende onderzoeksmethodiek kiezen is een vak. Menig medior onderzoeker struikelt hier nog over. Verwacht dus niet van jezelf of een stagiaire dat deze dit kan. Hier is kennis en vooral ervaring voor nodig.Bij een verkeerd gekozen onderzoeksvraag of methodiek, krijg je na het onderzoek niet de antwoorden op je vragen die je nodig hebt. Je hebt energie gestoken in verkeerde informatie.

2. Drempels en valkuilen

Na het formuleren van de onderzoeksvraag en het uitdokteren van de juiste methodiek om deze vragen beantwoord te krijgen, zijn er allerlei drempels en valkuilen om de juiste en voldoende informatie te verzamelen en deze vervolgens te formuleren als antwoorden op je vragen. Een onderzoeksbureau weet een goede vragenlijst/interviewleiddraad op te stellen waardoor niet alleen de oppervlakkige informatie wordt ingewonnen. Ze weet om te gaan met een lage respons en kunnen een grote hoeveelheid data vertalen in antwoorden en aanbevelingen. Doordat ze ervaring hebben met het uitzetten van veldwerk, analyse en rapporteren zijn ze hier minder tijd mee kwijt dan een medewerker. Ze weten welke drempels er zijn en waar de valkuilen zitten.

3. Garantie

Door een onderzoeksbureau in te schakelen koop je inzicht in effecten. Voor een vooraf gesproken bedrag koop je een onderzoeksrapportage waarin de informatie staat waar je behoefte aan hebt. Je krijgt antwoord op je vragen. Al het andere is voor het onderzoeksbureau om op te lossen.

4. Objectief

Als je gemeten effecten wilt communiceren naar derden, wil je niet het “wij van wc-eend, adviseren wc-eend” effect. Je onderzoeksresultaten zullen niet betrouwbaar worden gevonden als je zelf hebt gemeten volgens je eigen maatstaf. Een onderzoeksbureau zal zorgen voor een objectieve meting, waarbij de uitkomsten hetzelfde zullen zijn als het onderzoek door anderen herhaalt wordt.

5. Tijd

Onderzoek doen kan tijdsintensief zijn. Zeker als je hier onvoldoende ervaring mee hebt. Als een medewerker een effectmeting doet kost dit uren en zo ook geld. Dit gaat ten koste van de andere werkzaamheden.

Meer weten over het doen van onderzoek? Bekijk hier wat ik voor je kan betekenen!

Organisaties vragen zich gedurende evaluaties vaak de vraag 'doen we de dingen goed?'. Een goede vraag, die je wilt beantwoorden om je projecten te verbeteren. Maar als je je doelen wilt bereiken, is de vraag 'doen we de goede dingen?' belangrijker. Een vraag die helaas veel minder vaak wordt gesteld.  Je wilt graag weten of de ontwikkelde activiteiten bijdragen aan de beoogde doelstelling en dus het beoogde effect hebben.

Om deze vraag te beantwoorden, kun je effecten van je projecten gaan meten (Tien tips voor het meten van effecten), maar je kunt ook kritisch kijken naar waarom activiteiten worden uitgevoerd.

Veel instellingen hebben een visie en missie. Waarschijnlijk de instelling waar u werkt ook. Deze worden vervolgens vertaald in doelstellingen (en subdoelstellingen), die vervolgens omgezet zijn in activiteiten. Hier komen vaak een aantal aannames om de hoek. Een voorbeeld: Een gemeente die burgers wil stimuleren een gezond leven te leiden, kan besluiten sport te subsidiëren (de activiteit). Immers (verantwoord) bewegen is gezond. Door vervolgens alle sportverenigingen te subsidiëren, wordt de aanname gemaakt dat elke sport leidt tot meer bewegen is dus gezond is. Er zijn echter ook sporten, zoals denksport (bridge, schaken) en vaardigheidssporten (handboogschieten en darts) die niet leiden tot meer bewegen. Dit neemt niet weg dat ze andere positieve effecten hebben.

Als je wilt weten of je de goede dingen doet, kijk dan kritsisch naar de verbindingen tussen je missie, doelstellingen en je activiteiten. Zijn deze logisch met elkaar verbonden? Welke aannames zijn er gemaakt? Kun je werken met deze aannames?

Voor OTIB (het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technisch InstallatieBedrijf) heb ik de verbanden tussen missie, doelstellingen en meetpunten doorgelicht. Meer informatie over dit project vindt je bij 'wordt het doel bereikt als de meetpunten worden behaald?'. Wil je meer weten over het opstellen van meetpunten, kerncijfers of wil je deze verbanden binnen je organisatie onder het licht houden, kun je contact opnemen met mij via de mail (info@claudiadegraauw.nl) of telefoon (06 42 88 77 29).

Monitoring en evaluatie wordt steeds vaker verplicht gesteld bij subsidieaanvragen. Dit wordt onder andere gedaan omdat monitoren en evalueren de aanvragers helpen zicht te houden op hun project en het bereiken van hun doel.

Monitoren = zicht houden op het projectverloop

Door een project te monitoren krijgt een projectleider inzicht in zijn project en weet tijdig wanneer en waar er bijgestuurd moet worden. Door stelselmatig, dus regelmatig, voor het project belangrijke feiten op een rijtje te zetten, houdt de projectleider grip op het project en is de kans groter dat het projectdoel gehaald wordt.

Dit kan zo uitgebreid en dus ook zo praktisch als nodig. Wetenschappelijke onderzoeken zijn hiervoor niet nodig. Ook vergelijkingen met andere soortgelijke projecten niet. (Het gaat ten slotte om het bereiken van jouw projectdoel en niet meer of iets anders te bereiken dan je collega-projectaanvragers). Wel is een duidelijk beeld over het te behalen doel nodig, welke subdoelen hier aan bijdragen en wat hiervoor gedaan moet worden. Dit leidt tot het meetbaar maken van je doel.

Meetbaar maken van je doel

Om je doel meetbaar te maken en dus een instrumentarium te krijgen dat je in kunt zetten om te monitoren moet je allereerst je doel duidelijk stellen. Hoe specifieker je dit doet, des te gemakkelijker wordt het dit meetbaar te maken. Splits je doel hiervoor op in subdoelen. En blijf doorvragen (wat, hoe, wanneer, hoeveel, waar). Vertaal container begrippen in concrete doelen en probeer hierbij niet te verzanden in overtreffende woorden (beter, meer), maar maak het specifiek. Stel je doel en subdoelen zo SMART mogelijk op.

Hoe kun je meten?

Als je je subdoelen hebt vastgesteld en je hebt hierbij in detail doorgevraagd, heb je enerzijds input voor je projectplan en anderzijds een aantal ijkpunten waarop je wilt monitoren. Per ijkpunt moet gekeken worden hoe je je dat gaat meten. Er zijn verschillende manieren van meten: gestructureerde gesprekken, vragenlijsten, documentstudie van aanwezig materiaal zijn enkele voorbeelden. Kun je het zelf doen, zoals het aantal scholen dat mee werkt of heb je hulp nodig. Omdat de subdoelen verschillen per project, is het lastig daar iets algemeens over te zeggen. Mocht je hier behoefte aan hebben, kijk ik graag een keer mee naar het projectplan, de doelen en subdoelen om samen te komen tot manieren waarop iets gemeten kan worden. Kijk ook naar mijn blog: tien tips voor het meten van effecten en enkele cases toegelicht in mijn blog over het meetbaar maken van effecten van projecten of programma.

Wanneer ga je meten?

De eerste meting is bij aanvang. Je wilt ten slotte de beginsituatie weten.

Vervolgens ga je naar behoeve gedurende het project meten. Dit kan halfjaarlijks of jaarlijks. De ijkpunten die je hebt gebruikt bij de eerste meting, ga je gedurende het project regelmatig vaststellen. Indien nodig kun je een informatiesysteem ontwerpen waarin de benodigde informatie op gezette tijden aangeleverd wordt. Je kunt hierbij denken aan halfjaarlijks terugkerende gesprekken met een vast structuur met betrokken partijen of aan het jaarlijks bestuderen van het beleidsplan van de school via een vast stramien.

Zorg er voor dat je telkens weer dezelfde soort informatie krijgt waardoor ontwikkeling zichtbaar is, maar ook die informatie waarop je kunt sturen.


[1] Enkele voorbeelden van vragen: Wat verstaan wij onder een doorgaande leerlijn? Hoe moet deze eruit zien? Wat is een relatie tussen school en culturele instelling (elkaars telefoonnummer hebben, op de hoogte zijn van het aanbod, regelmatig overleggen hoe het cultureel aanbod ingepast kan worden in het curriculum). Over hoeveel scholen gaat het? Wat is het deskundigheidsniveau van leerkrachten nu en wat zou het moeten zijn. Wat definieert het deskundigheidsniveau (inhoudelijke kennis, vaardigheid om cultuur te relateren aan andere lesstof).

Meer informatie over Monitoring

Een vraag die mij vaak gesteld wordt, is: 'We vermoeden dat we effect hebben met ons project. Hoe kunnen we dat vastleggen?' Het meten van effecten is interessante beleidsinformatie. Kom je dichter bij je doel of moeten activiteiten worden bijgestuurd? Het vastleggen van effecten is ook interessant voor (potentiële) partners en financiers. Hoe het effect vastgesteld wordt, verschilt per project en hangt af van het gewenste effect. Ik zal enkele voorbeelden geven van effectmetingen die ik onlangs heb uitgevoerd, dan wel momenteel uitvoer, om te laten zien wat er mogelijk is.

Trekt een tentoonstelling nieuw publiek? En welke elementen zorgen daarvoor?

Museum Volkenkunde heeft de gezinstentoonstelling 'op expeditie' buiten geplaatst omdat ze binnen aan het verbouwen zijn, maar ook om te kijken of buiten exposeren drempelverlagend werkt en zo nieuw publiek aantrekt. Ze wilde graag weten of er nieuw publiek naar de gezinstentoonstelling kwam en zo ja, wat zij interessant vonden aan de tentoonstelling. Naast de analyse van bestaande databestanden door Letty Ranshuysen, heb ik bezoekers geobserveerd en met ze gesproken over de tentoonstelling. Naast dat de tentoonstelling interactief is, zeer gevarieerd en overzichtelijk, vonden bezoekers het fijn veel te leren. Dit sluit aan bij het onderzoek van de Nederlandse Museumvereniging naar de bevordering van museumbezoek door kinderen. Alleen het verlagen van praktische drempels en interactief maken van de tentoonstelling is niet voldoende. Bezoekers en dus ook kinderen willen iets leren. Als ze een museum bezoeken.

Leren leerlingen iets van voorlichtingsmateriaal?

Het O&O-fonds van de energiebedrijven voert samen met de energiebedrijven de voorlichtingscampagne WATT? om jongeren te interesseren voor werk in de energiesector. Zij willen graag weten of leerlingen iets opsteken van hun magazine waarin verschillende aspecten van werken bij een energiebedrijf aan bod komt. Dit beoogde effect wordt gemeten door de leerlingen twee keer te bevragen met een bijna gelijke vragenlijst. Voordat ze het magazine krijgen wordt gekeken wat ze weten en welk beeld ze hebben van de energiesector. Een nulmeting om de stand van zaken voor het project vast te stellen. Enkele weken nadat het magazine in de klas is besproken, vullen de jongeren dezelfde vragenlijst nog eens in, deze keer aangevuld met vragen over het magazine. Het onderzoek loopt en ik ben erg benieuwd naar de resultaten. Door de twee vragenlijsten aan elkaar te koppelen per leerlingen, krijgt de opdrachtgever inzicht in de verschillen per leerlingen en zo over het geheel.

Verandert de houding van leerlingen t.o.v. techniek en t.o.v. de haven?

KMR coördineert het promotie- en voorlichtingsprogramma om Rotterdamse kinderen en jongeren te informeren over techniek en de haven. Hier is gekozen voor het meten van de attitude t.o.v. techniek en de attitude t.o.v. de Rotterdamse haven. Deze wordt binnenkort voor het eerst gemeten, de nulmeting. Daarna gaat het programma van start en over twee jaar wordt de attitude opnieuw gemeten bij dezelfde groep leerlingen. Omdat er in twee jaar veel gebeurt en we de gemeten verschillen toe willen kunnen schrijven aan het programma, worden er ook metingen gedaan bij een vergelijkbare groep, de controlegroep. Een soortgelijke opzet is ook gebruikt bij het meten van de effecten van de Friek's Techniektruck. Hierbij is gekeken naar het verschil in attitude tov techniek. De onderzoeksrapportage hiervan is openbaar en te downloaden op mijn website. Ik ben erg benieuwd of u effecten van projecten meet. Wat doet u met de onderzoeksresultaten? Wat als helaas blijkt dat u niet de beoogde effecten behaald. Hoe gaat u daar mee om? Bij Museum Volkenkunde worden de onderzoeksresultaten bijvoorbeeld gebruikt voor het tentoonstellingsbeleid voor de komende jaren. ROC West Brabant gebruikt de onderzoeksresultaten bij het inrichten van de opvolger van de truck en communiceert de resultaten met haar (financiële) partners om beslissingen omtrent de voortgang van het project positief te beïnvloeden.

Bij iedere onderzoeksvraag hoort een eigen manier van onderzoeken. Bij de ene onderzoeksvraag is het antwoord het beste te vinden door het doen van kwalitatief onderzoek en bij de andere vraag past kwantitatief onderzoek juist beter. Maar wat houden kwalitatief en kwantitatief onderzoek nu precies in? En wanneer kies je voor een kwalitatieve methode en wanneer voor een kwantitatieve? Of maak je een combinatie?

Kwalitatief onderzoek

Kwalitatief onderzoek is gericht op het verkrijgen van informatie over wát er leeft en waaróm. Het geeft diepgaande informatie door in te gaan op achterliggende motieven, meningen, gedachtes, wensen en behoeften van de onderzoeksgroep. is kwalitatief onderzoek de beste methode. Typische vragen voor kwalitatief onderzoek zijn vragen die beginnen met Waarom en Hoe.

Voorbeelden van onderzoeksvragen die door middel van kwalitatief onderzoek beantwoord worden:

De volgende methoden zijn passend voor kwalitatief onderzoek:

Kwantitatief onderzoek

Kwantitatief onderzoek is gericht op hoeveelheid. Het geeft je cijfermatige resultaten over een bepaalde groep. Denk hierbij aan: 73% van de deelnemers heeft iets geleerd, gemiddeld krijgen we een rapportcijfer van 7,6 van onze bezoekers of 65% van de leerlingen is van mening veranderd. Typische vragen voor kwantitatief onderzoek zijn vragen die beginnen met hoeveel of in hoeverre.

Voorbeelden van onderzoeksvragen die door middel van kwantitatief onderzoek beantwoord worden:

Vaak wordt voor kwantitatief onderzoek gekozen om inzicht te krijgen in de gevolgen van een programma. Bijvoorbeeld als je verandering in attitude/houding aan wilt tonen naar aanleiding van een activiteit, project of programma. Of als je significante verschillen aan wilt kunnen tonen en deze wil generaliseren naar de massa. Ook voor het doen van cijfermatige uitspraken over een bepaalde doelgroep, kies je voor kwantitatief onderzoek.

Om betrouwbare uitspraken te kunnen doen in een kwalitatief onderzoek moet je onderzoek onder andere representatief zijn. Hiervoor heb je een minimaal aantal deelnemers nodig binnen je doelgroep die hun mening geven. Hiervoor kun je een steekproef trekken. Wanneer deze steekproef een bepaalde omvang en kenmerken heeft (afhankelijk van de onderzoeksvraag), kunnen uitspraken gegeneraliseerd worden naar de hele doelgroep.

De volgende methoden zijn passend voor kwalitatief onderzoek:

Voor de verwerking van kwantitatieve data heb je excel of SPSS nodig, waarmee je allerlei berekeningen kunt maken.

Combinatie van kwalitatief en kwantitatief onderzoek

Kwalitatief en kwantitatief onderzoek zijn niet per definitie op zichzelf staand. Kwantitatief en kwalitatief onderzoek kunnen aanvullend zijn op elkaar. Zo kun je kwalitatief onderzoek doen om te komen tot een goede vragenlijst die je breder uitzet. Ook kun je de uitkomsten van een kwalitatief onderzoek interpreteren met kwalitatief onderzoek.

Voor meer inspiratie op het gebied van mogelijke onderzoeksmethoden, kun je kijken bij mijn blog: Een overzicht van verschillende onderzoeksmethoden.

Creativiteit, ofwel creatief denken en handelen, is één van de 21st-century skills waaraan je tegenwoordig niet meer kunt ontkomen. Leerlingen in het onderwijs worden er al voor klaargestoomd, maar de vaardigheid is ook van groot belang in organisaties. Iedereen is op een andere manier creatief: uitvoerend, bedenkend, oplossend, et cetera.

Creativiteit op scholen

Sinds 2015 doe ik onderzoek naar creativiteit. Ik startte met een onderzoek voor de Stichting Cultuur Eindhoven, waarbij we de creativiteit van leerlingen van groep 8 in beeld hebben gebracht en gevolgd. De scholen boden verschillende programma’s aan met extra aandacht voor cultuureducatie of techniekeducatie. Ik ben gaan kijken of je creativiteit kunt meten en wat je met zo’n instrument kan doen.

TNO[1] heeft in 2015 in opdracht van het ministerie OCW een instrument ontwikkeld waarmee gemeten kan worden hoe creatief iemand is aan de hand van zeven indicatoren en daarnaast in hoeverre de ontwikkeling van creativiteit gestimuleerd wordt (drie indicatoren).


De zeven indicatoren voor creatief vermogen zijn:

✔ Nieuwsgierig

Volhardend

Vindingrijk

Interacterend met anderen

Output gericht

Trots op werk

Anders durven zijn

De drie indicatoren voor het ontwikkelen van creatief vermogen zijn:

✔ Richting

✔  Ruimte

✔  Ruggenspraak

Maar wat kun je nu met deze indicatoren? Deze indicatoren zijn inmiddels vertaald in een gevalideerde vragenlijst. Met deze vragenlijst kun je leerlingen dus scoren op deze tien indicatoren. En dat biedt allerlei opties.

Maatwerk aanbieden aan leerlingen

Allereerst kun je de creativiteit van de leerlingen (of andere personen) in beeld brengen, bijvoorbeeld met een spinnenwebgrafiek. Hiermee zie je waarin iemand goed is en waarin minder goed. Aan de hand hiervan kun je de opdrachten en begeleiding die je geeft aanpassen. Het onderzoek van TNO heeft negen prototypische profielen onderscheiden:

  1. Creatief vaardig: deze personen scoren gemiddeld op alle aspecten. Ze kunnen nog vaardiger worden.
  2. Creatief vaardig 2: zij scoren net boven gemiddeld op alle aspecten, maar lager op anders durven zijn. Ze zijn creatief vaardig, maar blijven niet altijd eigen ideeën volgen als anderen het beter weten.
  3. Conformist: deze scoren gemiddeld op alle aspecten, maar aanzienlijk lager op anders durven zijn. Ze zijn nieuwsgierig, en vindingrijk, maar komen niet op voor de eigen ideeën.
  4. Snelle starter: deze scoort hoger dan gemiddeld op de aspecten anders durven zijn en volhardend zijn. Scoort lager op nieuwsgierig- en vindingrijkheid. Volgt de opdracht en zet door als het moeilijk wordt, maar neemt geen tijd om nieuwe ideeën te verzinnen.
  5. Minder creatief vaardig: scoort lager dan gemiddeld op alle aspecten. Anders durven zijn is nog lager. Krijgt geen ruimte om creatief te zijn of heeft een minder creatief vermogen.
  6. Zeer creatief vaardig: zij scoren op alle aspecten hoger dan gemiddeld. Ze benaderen opdrachten op een creatieve manier en zetten verschillende aspecten in.
  7. Dromer: scoort hoger dan gemiddeld op nieuwsgierig, vindingrijk en anders durven zijn. Heeft een lagere score op interacteren met anderen. Zij vergeten anderen in hun denken en staan minder open voor bijsturing.
  8. Creatief totdat het moeilijk wordt: deze personen scoren gemiddeld, behalve op volhardend. Deze score is lager. Ze scoren bovengemiddeld op anders durven zijn. Ze gaan door als anderen het geen goed idee vinden. Maar haken af als het moeilijk is of onzeker of het wel zal lukken.
  9. Authentiek: deze personen scoren lager dan gemiddeld op alle aspecten. Op anders durven zijn juist hoger. Worden gedreven door zich te willen onderscheiden en het op een eigen manier te doen. Minder door mogelijkheden van een opdracht of de feedback van anderen.

Ontwikkeling per leerling in beeld brengen

Ten tweede kun je door de vragenlijst vaker af te nemen, de ontwikkeling op het gebied van creativiteit in beeld brengen. Bijvoorbeeld door (half)jaarlijks de vragenlijst af te nemen en de score van de zeven indicatoren in een spinnenweb naast elkaar in beeld te brengen.

Feedback voor de begeleiders en leerkrachten

Door de scores op de drie indicatoren voor het ontwikkelen van creatief vermogen in beeld te brengen, zie je wat de leerlingen aangeboden krijgen. Geeft de begeleider of leerkracht richting, ruimte en ruggenspraak? In welke mate wordt dit gedaan? Dit geeft de begeleider of leerkracht inzicht in wat hij/zij doet en daarmee de mogelijkheid dit te verbeteren.

Impact in beeld brengen

Als je de creatieve ontwikkeling van leerlingen die aan een bepaald project meedoen in beeld brengt, zie je op welke indicator(en) dat project impact heeft. Hiervoor wordt de vragenlijst voor aanvang en na afloop van het project afgenomen. Je kunt op individueel niveau zien of en in welke mate de zeven indicatoren van creativiteit zijn toegenomen. Als je werkt met alle tien de indicatoren zie je ook of je alle faciliteiten aanbiedt die nodig zijn om creativiteit te ontwikkelen.

Observeren

Het is natuurlijk ook mogelijk om leerlingen en begeleiders te observeren op deze indicatoren. Het rapport van TNO biedt geen observatielijst, maar wel voldoende aanknopingspunten om deze te maken.. Dit kun je ook doen om leerlingen en begeleiders individueel te observeren en scoren. Deze observaties kun je op dezelfde manieren inzetten als de vragenlijst: om maatwerk te bieden, de ontwikkeling in beeld te brengen, feedback te geven aan begeleiders en leerkrachten en de impact van projecten in beeld te brengen.

Creativiteit in organisaties

De negen creativiteitsprofielen zijn ook bruikbaar voor organisaties om te achterhalen welk creatief vermogen je in huis hebt. Aan welke competenties moet nog gewerkt worden om de organisatie klaar te stomen voor de toekomst?

Waarom is creativiteit in een organisatie belangrijk?

Creativiteit is natuurlijk van belang voor creatieve beroepen, zoals architecten, ontwerpers en kunstenaars. Maar creativiteit is ook nodig in andere sectoren voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën, innovatie, het bedenken van originele oplossingen en het ontwikkelen van nieuwe producten, processen of businessmodellen. Om in te blijven spelen op een continu veranderende wereld heb je creativiteit hard nodig. Het aanpassen aan de gevolgen van het COVID-19-virus is een voorbeeld hiervan.

Waarom wil ik weten wat voor creativiteitsprofielen ik in huis heb?

Creatief denken en handelen zorgt ervoor dat je nieuwe en/of ongebruikelijke maar toepasbare ideeën voor bestaande vraagstukken vindt. Dit kan op allerlei vlakken, bijvoorbeeld via creatieve technieken, denken buiten de lijntjes, risico’s durven nemen, onderzoeken en leren van fouten. Wil je aan competenties werken, dan moet je eerst weten welke profielen je in je organisatie hebt. Vervolgens kun je bouwen aan je organisatie en creativiteit stimuleren.

Hoe kan ik creativiteitsprofielen in mijn bedrijf meten?

Het ‘meten’ van creativiteit is ook interessant voor organisaties. Je kunt zo kijken in welk prototypisch profiel iemand valt en je krijgt tips waar diegene mee aan de slag kan om zijn creativiteit te vergroten. Door de creativiteit van alle medewerkers in een team, afdeling of organisatie in beeld te brengen, kun je zien of medewerkers elkaar aanvullen, welke aspecten van creativiteit ondervertegenwoordigd zijn, hoe je de beste teams samenstelt en waaraan je als team, afdeling of organisatie kunt werken om klaar te zijn voor de toekomst.

Wanneer je iemand een test laat maken, zal je ook zien dat deze op sommige punten beter scoort dan andere. Waar het ene aspect in ‘de aard van het beestje’ zit, kan het andere getraind worden. Je kunt bijvoorbeeld oefenen om feedback te geven en te ontvangen.

Samenstellen van Teams

Tegenwoordig worden steeds vaker testen gedaan om te kijken wat voor type mensen in een team zitten. Zelfs bij ons op kantoor hebben we de creativiteitstest gedaan.  Met een medewerkerstevredenheidsonderzoek (MTO) kun je ook meten hoe creatief je personeel is. MTO’s zijn er in verschillende soorten en maten. Voor organisaties is het interessant om in een MTO een gedeelte over creativiteit terug te laten komen.

Iedereen is op zijn eigen manier creatief. Als je weet waar iemand sterk in is, kun je dit beter inzetten en stimuleren. Hiervoor moet je zijn creativiteit in beeld brengen. Met deze gegevens kunnen wij medewerkers indelen in bepaalde prototypische profielen en aan de hand daarvan tips en tricks op maat geven per medewerker.

Wanneer je een team gaat samenstellen, wil je een mix van een aantal profielen. Je wilt personen die met andere ideeën komen en medewerkers die openstaan voor andere ideeën. Maar ook personen die nog vaardiger willen worden. Door een mix van profielen in je team daag je de teamleden uit zich verder te ontwikkelen.

Aan de hand van resultaten op het gebied van de creatieve omgeving kunnen we tips geven hoe deze optimaler in te richten, zodat de medewerkers kunnen groeien in hun creativiteit. Daarnaast kunnen teams op basis van de verschillende creativiteitstypen beter samengesteld worden, waardoor medewerkers elkaar aanvullen en versterken.

Ben je nieuwsgierig geworden hoe creatief je medewerkers zijn, neem hier contact op met ons en dan kijken we wat we voor je kunnen betekenen. Een MTO is belangrijk omdat je organisatie afhankelijk is van de mensen die er werken. Wanneer zij blij zijn, hun creativiteit kwijt kunnen en zich betrokken voelen bij je organisatie, kun je jouw doelen veel beter behalen.

[1] Stubbé, H.E. Jetten, A.M. Paradies, G.L. en Veldhuis, G.J. (2015) Creatief Vermogen - de ontwikkeling van een meetinstrument voor leerlingen op school, TNO-Soesterberg

Doen we de dingen goed? OF doen we de goede dingen? Twee vragen die sterk op elkaar lijken, maar die wel degelijk twee verschillende betekenissen hebben. Organisaties die evalueren stellen vaak de eerste vraag: Doen we de dingen goed? Er wordt dan kritisch gekeken naar de huidige activiteiten om ze in de toekomst te verbeteren. Dit is zinvol als je een kwaliteitsslag wil maken in je project. Maar wil je weten of je je doelen daadwerkelijk bereikt? Dan moet je de tweede vraag stellen: Doen we de goede dingen? Je wilt dan weten of de projecten en activiteiten bijdragen aan de geformuleerde doelen, niet of het losstaande project goed wordt uitgevoerd.

Om erachter te komen of je de goede dingen doet is het in de eerste plaats belangrijk om de doelen helder voor ogen te hebben. Is van tevoren het doel niet helder, dan weet je niet of je op de goede weg zit met de bereikte resultaten.

Vervolgens vertaal je deze doelen naar meetbare indicatoren (vergeet daarbij niet dat alles meetbaar is). Je kijkt vervolgens welke activiteit in welke mate bijdraagt aan je doelbereik. Zo krijg je inzicht in of je de goede dingen doet. Als je daarnaast verkent welke opties er nog meer zijn om je doelen te bereiken, krijg je inzicht in alternatieven en kun je kritisch kijken naar de mix van activiteiten die er zijn om je doel te bereiken.

Ik merk dat sportorganisaties en -verenigingen de effecten van hun beleid en activiteiten veelal meten aan de hand van bereikcijfers. De doelen die zij hebben met hun organisatie zijn dan ook vaak gerelateerd aan deze bereikcijfers. Doelen die gesteld worden gaan bijvoorbeeld over groei van het aantal teams dat aan een competitie mee doet, verhoging van het aantal leden van een vereniging, groei van het aantal educatieve activiteiten dat op scholen plaats vindt of stijging van de topsporters op de (inter-)nationale ranglijst. Deze doelen zijn te achterhalen door het in kaart brengen van bereikcijfers.

Sportorganisaties gaan er dan vanuit dat door het halen van de cijfermatige doelen, ook de ideële doelstellingen gehaald worden. Zoals het bevorderen van beweging onder jongeren, het verbeteren van competenties en persoonlijke ontwikkeling door de sport (zoals samenwerken en zelfvertrouwen) en het bevorderen van sociale cohesie. Het idee is dan: als het aantal leden stijgt, dan zijn er dus meer mensen gaan bewegen. Als er meer teams mee doen aan een competitie, dan werken dus meer mensen aan hun competenties.

Hoewel we in de culturele sector zien dat het meten van effecten vaak verder reikt dan alleen bereikcijfers, vraag ik me af of dit voor de sportsector ook geldt: Volstaat effecten meten aan de hand van bereikcijfers of hebben sportorganisaties ook baat bij het meten op een andere manier, op basis van ideële doelstellingen?

Schimmelpenninckstraat 39b
5121 HM 
Rijen
Claudia’s hart ligt bij onderzoek. Haar werkwijze is heel persoonlijk; ieder onderzoek vraagt tenslotte om maatwerk. Samen met de klant formuleert ze doelen, die ze vervolgens ook realiseert. Daarbij is ze volkomen transparant en deelt ze graag haar kennis en ervaring.
© 2022 – 2025 Claudia de Graauw. Alle rechten voorbehouden.
homeenvelopesmartphone