Je hebt een idee, een ambitie, iets wat je wilt bereiken. Maar hoe vertaal je dat naar een doel dat duidelijk, haalbaar én motiverend is? Veel mensen kennen de SMART-methode, maar er is ook een andere manier die minstens zo krachtig is: PRISMA.
Wat PRISMA bijzonder maakt, is de nadruk op positief formuleren. Dat geeft energie, motiveert en maakt het makkelijker om anderen mee te krijgen. In deze blog neem ik je stap voor stap mee door de PRISMA-methode, zodat jij je doelen helder en effectief kunt formuleren.
Een doel dat positief is geformuleerd, voelt prettiger aan. Het klinkt vriendelijker, geeft meer motivatie en zorgt ervoor dat anderen sneller bereid zijn om je te helpen. Negatief geformuleerde doelen – zoals iets willen stoppen of verminderen – kunnen onbedoeld ontmoedigend werken.
Denk bijvoorbeeld aan het doel: “Ik wil dat kinderen minder gamen.” Dat klinkt als een beperking. Draai je het om naar: “Ik wil dat kinderen meer buiten spelen,” dan geef je het een positieve draai. Je wilt in de kern hetzelfde bereiken, maar de toon is heel anders – en veel krachtiger.
Een goed doel is relevant. Niet alleen voor jou persoonlijk, maar ook voor je organisatie of omgeving. Vraag jezelf af: “Draagt dit doel echt bij aan wat belangrijk is?” Als het antwoord nee is, dan is het misschien niet de moeite waard om er tijd en energie in te steken. Relevantie zorgt ervoor dat je gemotiveerd blijft en dat anderen het belang van jouw doel ook inzien.
Je kunt pas echt aan een doel werken als je er invloed op hebt. Het is frustrerend om energie te steken in iets waar je zelf niets aan kunt veranderen. Stel daarom alleen doelen waar jij – of je team – daadwerkelijk iets aan kunt doen. Zo houd je de regie in eigen handen en vergroot je de kans op succes.
Hoe concreter je doel, hoe beter. Een vaag doel als “meer bezoekers” zegt eigenlijk niets. Wat bedoel je precies? Hoeveel meer? Wanneer? En wie zijn die bezoekers?
Door je doel specifiek te maken, dwing je jezelf om goed na te denken over wat je écht wilt bereiken. Bijvoorbeeld: “Elke maand 100 nieuwe bezoekers op de website.” Dat is duidelijk, meetbaar en geeft richting.
Als je niet kunt meten of je je doel hebt bereikt, weet je ook niet of je op de goede weg bent. Denk daarom vooraf na over hoe je succes gaat meten. Welke gegevens heb je nodig? Welke indicatoren geven aan dat je doel is behaald?
Stel dat je wilt afvallen. Wil je dan minder kilo’s wegen, of gaat het je om een lager vetpercentage? Het verschil is belangrijk. Meet wat je écht wilt weten, zodat je gericht kunt bijsturen.
Een goed doel vraagt om actie. Wat kun jij vandaag al doen om dichter bij je doel te komen? Als je geen invloed hebt of niet weet welke stappen je kunt zetten, dan blijft het doel vaag en onbereikbaar.
Zorg er dus voor dat je doel uitnodigt tot beweging. Denk na over wat jij zelf kunt doen, maar ook over wat je eventueel aan anderen kunt vragen. Zo houd je de vaart erin en blijf je gemotiveerd.

Voor de beleidsmedewerkers van het sociale domein van de gemeente Roosendaal heb ik twee workshops gegeven om hen te helpen hun subsidieprocessen beter te stroomlijnen en beter zicht te krijgen op de effecten van het beleid en de bijbehorende subsidieafspraken. De eerste workshop ging over het formuleren van doelen, de tweede over het formuleren van indicatoren en mogelijkheden om deze meetbaar te maken.
Als je wilt weten of je je doelen bereikt, monitor je deze doelen. Door te monitoren kun je in de gaten houden of je nog op de goede weg zit. En of je je doel gaat bereiken. Hiervoor is het noodzakelijk om één indicator of meerdere indicatoren te formuleren die betrekking hebben op je doelen. Een indicator is een meetbaar begrip dat een signalerende functie heeft en een aanwijzing geeft over de mate van kwaliteit. Wijkt een indicator af van een afgesproken norm dan is bijsturing mogelijk. Het is dus belangrijk om goede indicatoren te kiezen en geen afgeleide indicatoren te gebruiken. Dan meet je namelijk niet wat je wilt meten en kun je niet meer goed bijsturen om je doelen te bereiken.
Een interessant voorbeeld is de bibliotheek. Doelen van de bibliotheek zijn onder andere leesbevordering en mediawijsheid. Vaak monitoren bibliotheken echter op ‘Lenen’, waarbij als indicator het aantal uitleningen gebruikt wordt. Dit geeft misschien ook waardevolle informatie, maar zegt niets over of de bevolking daadwerkelijk meer en beter leest en mediawijzer wordt. Het aantal uitleningen is dus een indicator die geen betrekking heeft op de doelen van de bibliotheek. De bibliotheek weet nu niet of er richting de doelen bewogen wordt en kan hier dus ook niet op sturen. Sterker: sommige bibliotheken reageren averechts op ontwikkelingen zoals de e-reader, omdat deze boeken lenen in de weg staat, maar wel goed is voor de leesbevordering.
In plaats van ‘Lenen’ kan de bibliotheek beter monitoren op ‘Lezen’ en ‘mediawijsheid’. Indicatoren verschuiven dan van het aantal uitleningen naar indicatoren die betrekking hebben op het meer (en beter) lezen en het mediawijzer worden van de bevolking. Bij leesbevordering kun je als indicator denken aan het aantal activiteiten gericht op het signaleren en tegengaan van laag geletterdheid. Bij mediawijsheid kan gedacht worden aan het actief, creatief en sociaal media gebruik naar aanleiding van mediawijsheid activiteiten.
Ik heb nu het voorbeeld van een bibliotheek gegeven, maar het kiezen van de juiste indicator(en) is natuurlijk voor iedere organisatie van belang om het doelbereik goed te kunnen monitoren!
Erfgoededucatie wordt steeds belangrijker op school. Er worden steeds meer projecten en lessen aangeboden door velerlei verschillende aanbieders. Als school, als financier van erfgoed-educatieve projecten, maar ook als aanbieder wil je weten of een project goed is. Wanneer is het een goed project en lessenreeks?
1) Een project of lessenreeks moet een doel hebben. Wat wil je de leerlingen leren? Wil je ze kennis meegeven, vaardigheden aanleren of wil je ze laten nadenken en reflecteren op zaken uit het verleden? Verschillende leerdoelen vragen om verschillende werkvormen.
2) Daarnaast is de positie van educatie binnen de organisatie bepalend voor de kwaliteit die geboden wordt. Is het primaire doel van bijvoorbeeld een museum het delen van kennis en anderen laten leren over hun collectie, zal de kwaliteit van de educatie beter zijn dan van een museum die primair verzameld en binnenschoolse educatieve projecten verzorgt omdat het een verplichting is vanuit het ministerie.
3) De geboden leerstof moet aansluiten op het curriculum, deel uit maken van een doorgaande leerlijn op het gebied van erfgoed en verankerd zijn op school. Als het project los staat van de overige lesstof, zal het geleerde niet blijven hangen, omdat de leerlingen het niet kunnen verbinden met andere dingen die ze leren. Een project moet passen binnen de lesstof op school, maar ook voortbouwen op eerdere erfgoedlessen. Erfgoed moet ook verankerd zijn op school en daarmee een eigen plek hebben op school en binnen het curriculum. Binnen een lessenreeks passen ook bezoeken aan instellingen en expedities door de buurt. Deze moeten echter wel ingekaderd zijn in eerdere lessen en op gereflecteerd worden.
4) De kwaliteit van de inhoud wordt veelal ook bepaald door de deskundigheid van de educatoren en begeleiders. Ook de mate waarin de lesstof aansluit op het niveau van de leerlingen (denk aan taalgebruik) is bepalend voor de kwaliteit.
5) Een organisatie die erfgoededucatieve projecten en lessen organiseert, doet dit beter als ze hierbij samenwerken met anderen, zoals scholen, andere aanbieders in de buurt en tweedelijns instellingen. Samen kom je tot betere projecten dan alleen.
6) Ten slotte bieden evaluerende organisaties beter projecten. Door te evalueren leren zij van eerdere projecten en worden projecten steeds aangescherpt. Je kunt beter voortborduren op eerder opgedane ervaring en samen kijken wat hier aan verbeterd kan worden dan elke keer het wiel opnieuw uit te vinden of door gaan op een manier waarvan je niet weet of deze succesvol is. Bij evaluaties moet echter een duidelijk verschil gemaakt worden tussen leuk en leerzaam. Met een project dat alleen leuk is, leren de leerlingen niets en bereik je je doel niet.
Hulp nodig bij de uitvoering van een onderzoek? Lees hier wat ik voor je kan betekenen.
Dit geldt persoonlijk, voor groepen, organisaties, projecten en beleid. Toch worden doelstellingen vaak vaag en vrijblijvend geformuleerd als wensen, intenties of goede voornemens. Een doel is echter een gewenste situatie die je wilt bereiken, zelf, met de organisatie, met overheidsbeleid of met een project. In deze blog richt ik mij specifiek op het stellen van projectdoelen, maar veel gaat ook op voor andersoortige doelen.
Waarom moet je projectdoelen stellen?
Waar moet je op letten bij het stellen van projectdoelen?
Begin met het stellen van het hoofddoel. Denk na over de gewenste situatie. Formuleer dit doel Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden. Dan kan het doel sturend zijn voor het project. Ik heb een blog geschreven over SMART.
Vervolgens formuleer je subdoelen, door het hoofddoel op te delen in onderdelen die gedaan moeten worden. Elk onderdeel vormt één of meerdere subdoelen. Een subdoel kun je verder uitsplitsen in werkdoelen, mocht dit nodig zijn.
Meer informatie over het stellen van doelen voor een effectmeting
Steeds vaker hoor ik de roep om kwaliteit voor cultuureducatie. Zo ook op de conferentie ‘Wie doet wat?’ (26 augustus 2011 door Cultuurnetwerk Nederland en Kunstfactor). Volgens Piet Hagenaars (directeur Cultuurnetwerk Nederland) schort het momenteel aan kwaliteit van cultuureducatie op scholen en bezoekers waren het daar mee eens.
Dat kun je op verschillende manieren aanpakken. Je kunt naar doelen kijken van cultuureducatie en die vervolgens SMART formuleren en evalueren. Behaal je de doelen die je hebt gesteld? Cultuureducatie is enerzijds gericht zijn op toekomst cultuurdeelname (wat gemeten kan worden door gedragsvoorspellers zoals attitude te meten) en anderzijds op empowerment en (talent)ontwikkeling.
Om niet elk project aan een uitvoerig onderzoek te onderwerpen of het bijdraagt aan de toekomstige cultuurdeelname en empowerment van leerlingen, kan een keurmerk ontwikkeld worden. Met onderzoek waarbij gekeken wordt naar doelbereik, kunnen succesfactoren gedestilleerd worden. Aan de hand van deze kenmerken kan een keurmerk ontworpen worden samen met expert. Een kwaliteitskeurmerk. Bijvoorbeeld het inspelen op het niveau van de leerlingen op het gebied van de betreffende kunstdiscipline, integraliteit met andere vakken en ouderbetrokkenheid maken de kans op doelbereik groter. Met een keurmerk krijgen cultuurcoördinatoren bij scholen en gemeenten een instrument in handen dat ze helpt bij de keuze tussen verschillende projecten en aanbieders. Het geeft aanbieders een instrument in handen van belangrijke kenmerken die een project moet hebben.
Het vast stellen van kwaliteit kan cultuureducatieve instellingen op meerdere gebieden helpen. Allereerst wordt er kwaliteit geboden, wat belangrijk is voor de leerlingen en de scholen. Ook aan financiers kan aangetoond worden dat er een goed product wordt aangeboden. Voor overheden interessant, maar ook andere partners.
Andere partners dan de overheid worden steeds belangrijker voor de culturele sector. Instellingen moeten kijken naar hun publiek. Maar ook commerciële partijen worden belangrijker. Gekeken moet worden naar andere partijen die dezelfde belangen delen. Ook buiten de sector, bijvoorbeeld de sportsector als het dans betreft.
Hierbij hoort het formuleren van doelen en het afleggen van verantwoording. Hier kunnen het meten van effecten, evaluatie van projecten en het vaststellen en meten van kernpunten een bijdrage aan leveren.